Het eerste wat ik hoor is dat ik er allemaal niet zoveel over moet nadenken. Dat lost toch niets op. Het maakt de dingen alleen maar erger. De volgende stap is het ontkrachten door argumentatie, snel gevolgd door het ’stupéfiëren’, belemmeren van analyse, argumentatie en verweren.
Emoties zijn toch immers niet altijd echt, hoor ik. Ze zijn een fantasie. Wat ik voel, wat ik waarneem, wat ik ervaar … is voor deze mensen niet echt. Of minstens, het irriteert mensen dat ik dit uit. Misschien appeleert het wel aan hun eigen gevoel, wie weet. Maar het moet ophouden. Soms met medicatie, soms met betutteling, soms met het opzadelen met schuldgevoel (‘je moet maar je best doen’) en soms met agressie (‘we slaan ‘t er wel in’, of ‘we slaan ‘t er uit wel uit’ als autisme niet mag geuit worden).
De volgende stap is eenzaamheid en waardeloosheid. Een chronisch tekort aan energie om te doen wat in mijn hoofd al zo helder naar voor komt. Een wanhopige incompatibiliteit met mijn omgeving, die zo weinig van me af weet, terwijl ze toch pretenderen jaren met mij te hebben opgetrokken.
Maar uiteindelijk is er ‘rustige vastheid’, dat planmatig efficiënt streven naar realisatie van mijn eigen levensproject, door samenwerken en wederzijdse ondersteuning. Uiteindelijk weet ik dat ik er ben met anderen, evenwaardig en uniek, volledig incompatibel en net daarom een aanwinst.