“Een twintigjarige autistische jongen is aan het woord in een televisieprogramma. Hij spreekt over zijn interesses. Meteen wordt hij onderbroken door de presentator. Het gebruik van al die moeilijke woorden, vraagt de presentator, is dat nou kenmerkend voor autisme ? Ja, zegt de jongen. Dat dacht ik al, zegt de presentator. ‘Toen ik laatst bij je thuis kwam, vroeg je niet of ik suiker en melk in de koffie heb. Je vroeg of ik suiker en melk “gebruik”. Dat valt op.’ Moeten we welsprekendheid inderdaad leren zien als een psychiatrische aandoening ? Zal ik me zorgen gaan maken over de gezondheid van al die verbaal begaafde mensen die mij zo dierbaar zijn ? Ik schot vol bij die gedachte.”
Uit : Marjolijn Februari. Park Welgelegen : notities over morele verwarring (Querido, 2004), p.66