Onlangs wordt me gevraagd wat ik zou doen mocht ik alle tijd, geld, geluk, talent en zelfvertrouwen hebben die ik nodig acht.
Om te beginnen kan ik me dat moeilijk inbeelden. Op dit moment ervaar ik immers een teveel aan tijd, toch wat tekort aan geld, een moeilijke relatie met geluk, een overschot aan talent (alhoewel), en een tikkeltje zelfvertrouwen. Al geef ik toe dat dat laatste wisselt naarmate ik (terechte) kritiek krijg.
Ik zou ook kunnen antwoorden dat ik al genoeg moeite heb met de dagelijkse lusten en lasten, en eerder een concrete doener ben. Maar dat zou flauw zijn, want ik hou wel van vragen die met mate prikkelen tot gefilosofeer.
De vraag die mij gesteld is, heeft in ‘t verleden natuurlijk al geleid tot dikke boeken. Mensen zijn sinds mensenheugenis immers beperkt in hun functioneren door een dubbele dreiging, die voor straf voor het schenden van geschreven en ongeschreven regels en die voor kansarmoede en honger.
Het is haast universeel bekend dat mensen gedwongen worden te handelen, te denken en voelen gedreven door de vrees van beroving van vrijheid, verlangens en voeding. Bovengestelde vraag appeleert dan ook aan het anders handelen waartoe ze zouden verleid kunnen worden mocht deze triniteit van vrees hun levens niet meer zou beheersen.
Mocht ik voldoende tijd, geld, geluk, talent en zelfvertrouwen hebben, zou in elk geval last hebben van de angst, afgunst en zelfgenoegzaamheid van mensen om mij heen. Ik zou meer energie kunnen besteden aan initiatief, geloof in het leven en mijn solidariteit betuigen aan mensen die nog leven met het angst voor gebrek.
Maar ik zou bijvoorbeeld geen boek schrijven over mijn weg uit mijn leven voorheen, dat ik zou afschilderen als een miserabel bestaan getekend door gebrek, ongeluk, armoede en zelftwijfel.
Noch zou ik mij wentelen in mijn nieuw verworven comfortabele leventje. Het is immers niet aan mij besteed om niets te doen behalve het leven als regen op mij te laten neerkomen. Ik zou ook bijzonder op mijn hoede zijn voor al wie mij benadert en vroeger niet zag staan.
Uitdagingen zou ik nog te over hebben, vermits mijn autisme door al die overvloed niet zou ophouden te bestaan en de aarde niet zou ophouden te draaien. Ik zou misschien in een comfortabeler omgeving kunnen leven, mij minder druk hoeven te maken om ridicule maatschappelijke verwachtingen en meer van mijn tijd kunnen besteden aan nuttige zaken zoals mijn passies.
Voorts zou ik ook mijn steentje kunnen bijdragen tot een betere woon – werk, en leefsituatie van een aantal mensen met autisme. En voor de rest zou ik de tijd kunen nemen om te groeien naar mezelf.