Af en toe komt het voor dat ik krijg te horen dat ik naïef ben. Naïef in mijn argumenten zowel als in mijn levenshouding of tegenover anderen.
Ik vermoed dan dat mensen die dit tegen mij zeggen bedoelen dat ik een tikkeltje of heel erg wereldvreemd ben. In elk geval vreemd tegenover hun beeld van de wereld, hun wereldbeeld, tegenover hoe zij denken dat de samenleving en het leven functioneert. Ik zou geen zicht hebben op de context en daardoor tot analyses of conclusies komen die mezelf of anderen op korte of langere termijn schaden.
In de gesprekken of discussies waar dit argument gebruikt wordt, blijkt het ook vaak de afsluiter. Het lijkt een stopformule te zijn. Eens gezegd dat iemand naïef is, krijgen verdere uitspraken een andere waarde, worden sommige zelfs bij voorbaat ontkracht, en voorzien van een connotatie van gevaar en roekeloosheid.
Als ik rond me kijk, lijkt naïviteit vooral negatief geïnterpreteerd te worden, als een vorm van al dan niet vermeende onschuld of onwetendheid. Het is zoveel als leven in pure gedachteloosheid, zonder besef van goed of kwaad, doelloos verder gaan zonder veel te letten op de consequenties, dromen zonder wijsheid, staren in het donker, zijn in het niets, en uit onkunde heel wat woede oproepen bij hen die volgens zichzelf moeten opdraaien voor de steeds kwalijke gevolgen van naïef denken en handelen.
Wie naïef genoemd wordt, ervaart dit maar in een heel beperkt aantal gevallen als een compliment. De meeste mensen lijken het veeleer als een verwijt te zien. Het wordt verbonden met wat van kinderen komt of met een stoornis in de verstandelijke of sociaal-emotionele ontwikkeling, in elk geval met een zekere onvolwassenheid of onrijpheid in oordelen over samen leven. Tegelijk wordt daar echter een negatieve waarde aan toegekend. Kinderen mogen tot een bepaalde leeftijd naïef zijn maar dan plots niet meer. Ze moeten dat zelfs. Of ze worden als irritant ervaren. Maar zijn ze dan nog na die leeftijd, na de adolescentie, dan worden hun uitspraken en handelingen minder naar waarde geschat. Het betekent zoveel als goedgelovig zijn en (te) veel vertrouwen hebben in de goede bedoelingen van mensen.
Wat het tegenovergestelde is van naïviteit is niet zo duidelijk. Sommige mensen lijken alles te weten. Mensen die zonder twijfel niet naïef zijn hebben alle nodige kennis (van de wereld) of beschikken over de mogelijkheden om kennis te verwerven om zich rekenschap te geven over de consequenties van hun daden. Voor mij lijken ze soms blasé, gekunsteld, geslepen en berekend. Ze zijn in elk geval zeker over de kennis die ze hebben. Misschien te overmoedig.
Naïviteit heeft volgens mij vooral te maken met inzicht in hoe de context in elkaar zit en dan voornamelijk de maatschappelijke structuur. Mensen die niet naïef zeggen te zijn, kunnen naar eigen zeggen meepraten over de samenleving, en weten waarover ze ‘t hebben.
Daarin verschilt de houding van degene die vragen stelt om inzicht te verkrijgen of anderen tot inzicht te brengen, zoals Socrates, van de onwetende onschuld van een kind. Voor zover er zoiets bestaat als een kinderlijke onschuld. Laat ons de gruwel binnen de kinderlijke fantasie niet onderschatten, zoals Bruno Vanden Broecke terecht stelt in de meest recente aflevering van Lux.
In ons dagelijks taalgebruik komt naïviteit, ook de Socratische naïviteit, echter vooral voor als idiotie in de zin van wereldvreemd leven. Wat we bij kinderen nog wel net kunnen waarderen maar niet bij volwassenen of bij ouderen.
Of minstens, niet iedereen waardeert niet. Mensen die leven in het teken van het nut van het algemeen belang waarderen dit niet.
Er zijn echter wel mensen, en zelfs heel wat, die naïviteit nog waarderen. Naïviteit heeft immers ook te maken met een beetje kind blijven en iets bewaard hebben van die onbewust, natuurlijke, niet-strategische vorm van leven. Deze naïviteit vinden we terug in bepaalde fasen van de liefdesrelatie, van de poëtische omgang met de werkelijkheid, met die ontastbare en onbenoembare kern in de kunst.
Naïviteit hoeft dus niet louter negatief te zijn. Soms zal het inderdaad een gevolg zijn van een zekere contextblindheid, een zekere wereldvreemdheid, die zowel voor – als nadelen heeft. Naïviteit kan evengoed te maken hebben met openheid & eenvoud dan met de dingen klakkeloos voor waar aannemen. De volwassene die zich niet naïef vind, kan dat wel zijn door klakkeloos aan te nemen dat alles goed komt als hij een goed werk heeft, een vrouw en kinderen, een goede bankrekening, een huis met een tuin en een risicoloos leven.
Bij mensen die naïef genoemd worden, uit dat zich meestal door te open zijn in het geven van informatie, te veel vertrouwen te geven of door te impulsief reageren, maar wordt de schade mede en zelfs vooral veroorzaakt door negatieve bedoelingen van de omgeving. Wie verdient dan negatief bejegend te worden ? Degene die uit goede trouw handelt of degene die uit is op misbruik ?
In het maatschappelijk leven lijkt naïviteit niet erg veel goeds te brengen. Wanneer het dat wel brengt, lijkt het meer op berekende naïviteit. Zo lijkt het uitdelen van gratis producten naïef maar is het soms, wanneer goed uitgedacht, de beste manier om mensen te laten kennismaken met het product.
In het privéleven zou ik eerder naïviteit als iets positief beschouwen. Zeker in een liefdesrelatie zou het erg zijn mocht alles louter berekening zijn, en er geen plaats is voor naïviteit. In die zin kan de contextblindheid ook een positief en verleidelijk aspect hebben.
Ook in de relatie met anderen kan men niet zich altijd van alles bewust of op de hoogte zijn en is men dus in zekere zin altijd wel naïef. Zoniet is er al gauw sprake van achterdocht en wantrouwen, en dat lijkt ook niet echt positief. Mensen met autisme swingen af en toe wel eens van het ene uiterste naar het andere, van volledig ‘naïef’ vertrouwen in anderen naar volledig ‘paranoïde’ wantrouwen.
Verder is een levensvisie waarbij doorsnee maatschappelijke waarden en normen voorop staan niet steeds de meest positieve. Binnen hun privéleven zouden mensen immers moeten kunnen doen wat ze willen, mits dat anderen geen schade toebrengt.
Tenzij men zichzelf regelmatig in gevaar brengt, is open en in zekere zin kind, en dus naïef en in onwetendheid, blijven positief en om trots over te zijn. Wie alles denkt te weten, en anderen zegt wereldvreemd te zijn, is nog het meest vreemd en naïef.