In Ego Auti
juni 1, 2008
Autistische mensen zouden wel eens egocentrisch, ja, zelfs egoïstisch zijn. Louter gericht op zichzelf. Alleen bezig met hun navel. Voor hen zou niets behalve het eigen ‘ik’ bestaan. Niet is minder waar, en toch is de reactie erg begrijpelijk.
De niet-autistische lezer zal het wellicht moeilijker begrijpen, maar de uitspraak dat autisten egoïstisch of egocentrisch zijn, wat zeker niet hetzelfde is, komt veelal voort uit mensen die stikjaloers zijn, ja, pijn voelen dat zij zo weinig ‘ik’ meer over hebben, dat zij zo beperkt zelfstandig denken en handelen dat zij eigenlijk niet meer over ‘ik’ maar over ‘wij’ moeten spreken. Hun ’subject’ bestaat niet meer. Hun taal wordt bepaald door een heleboel intuïtief dwingende sociale conventies, afspraken over wat hoort en niet hoort, wat ze wel en niet mogen en moeten zeggen, welke sociale status ze hebben en hoe ze daardoor moeten spreken en hoe ze moeten praten, lopen, eten en drinken. Ze zijn niet meer, ze bestaan louter nog in functie van en binnen het netwerk van sociale verhoudingen, gevangen in een spinneweb. En die bevangenheid doet begrijpelijk pijn als ze zich bewust worden hoe vrij mensen met autisme wel zijn.
Of minstens: dat denken ze toch, want het is vooral een andere vorm van gevangenschap. Mensen met autisme zijn immers voortdurend bezig zichzelf uit te vinden, zichzelf te positioneren, zichzelf een plaats te verwerven. Daarvoor is het wel nodig het over zichzelf te hebben. Wie zou het anders doen ? En indien ze niet om de haverklap ‘ik’ zeggen, valt dit ‘ik’ weg. Er is namelijk geen plaats voor hen in het spinneweb van sociale verhoudingen. En ze willen zich ook niet verliezen in de duisternis van het onbewust leven.
Wat mij wel stoort, en begrijpelijkerwijs ook andere mensen, zowel autisten als niet-autisten, zijn de extremen.
Enerzijds zijn er de mensen die geen greintje ‘zelf’ meer hebben, die zodanig opgegaan zijn in het ‘online’ zijn, in het groepsfunctioneren, in de bereikbaarheid voor iedereen, in de openbaarheid en het publieke leven, dat zij zich niet (meer) terugtrekken in zichzelf en dat ook verlangen van anderen. Het zijn van die vlotte types waarvan ik me afvraag of ze ooit al het woord zelfkritiek of zelfreflectie hebben gehoord. Nu ben ik ook niet iemand die de hele dag zit te piekeren over mijn eigen functioneren, maar af en toe eens bezinnen, stilstaan, reflecteren … stilstaan bij de leer – en werkpunten, en jezelf een plaats geven … het mag wel eens
Anderzijds heb je die groep mensen met autisme die zodanig vervuld zijn van zichzelf dat ze stekeblind geworden zijn voor de context. Ze projecteren hun eigen ervaringen op de groep, want denken ze, ‘als ik dat heb ervaren, zal dat wel bij iedereen zo zijn’. Of ze staan uit de zaal recht en zeggen iets als ‘ik mag nu wel voor het publiek spreken als ik zeg …’. Voor sommigen kan het sympathiek overkomen, mij vervult het eerder van plaatsvervangende schaamte. Wellicht komt dat omdat ik zelf niet zo graag in de spotlights sta, en zelfs deze blog al zie als een manier om mijn grens te verleggen.
Behalve met de manier van communiceren, heeft het volgens mij te maken met de contextblindheid, die maakt dat mensen met autisme voortdurend zichzelf moeten bevestigen, terwijl anderen zodanig opgaan in die context dat ze niet langer bestaan.
Mensen met autisme moeten zichzelf bevestigen, anderen moeten zichzelf net ontvoogden. In beide gevallen kost het evenveel moeite, en heeft het te maken met onthechten. In die zin zijn mensen met autisme en niet-autisten die zelfstandiger willen leven, los van sociale conventies die hun groei beperken, partners in hetzelfde proces. De niet-autist wil loskomen van de maatschappelijk ervaring (’het hoort zo te voelen’), de autist wil loskomen van de drang tot zelfbevestiging en de individuele ervaring in het gesprek brengen.
Beiden kunnen van elkaar leren. Egocentrisme kan immers ook positief zijn, en een stap naar empowerment, het sterker worden van individueel functioneren. Zolang het niet leidt tot egoïsme, het eigen levensproject als universeel goed beschouwen.
Dat egoïsme is dan weer niet eigen aan mensen met autisme, maar komt over het hele spectrum van bestaan voor. Ik zou zelfs durven beweren dat mensen met autisme minder egoïstisch zijn, omdat ze zo voortdurend bezig zijn de omgeving af te scannen, als een vleermuis, dat ze zichzelf vaak vergeten. Ze zijn vaak gehyperfocust op allerlei details in de omgeving, gefascineerd door rolpatronen die ze proberen te verbinden tot een betekenisvol geheel, in de hoop ooit ‘het systeem’ door te hebben. Wat uiteraard niet lukt, gezien er geen ’systeem’ is. Het is nog eenvoudiger de eindnotatie van het wiskundige symbool ‘pi’ of het enigma van het universeel innerlijk paradigma te ontcijferen.
Mensen met autisme wordt ook vaak verweten dat hun eigen levensproject het enige is waarvoor ze leven. Daar zit iets in. Ze hebben een eigen visie, een eigen missie, een levensproject waaraan ze werken, soms onbewust, soms bewust. Dat kan niet gezegd worden van het grootste deel van de samenleving, op enkele witte raven na, die helaas bij de geboorte gedwongen is geweest te gehoorzamen aan de sociale regels die hen genetisch worden opgedrongen. Het is een ware functiebeperking, maar geen handicap omdat de meerderheidsgroep de samenleving nu eenmaal heeft aangepast. Als dat niet egoïstisch is.
Tags: egoïsme, egocentrisme, identiteit, ik, individualisme, mensbeeld, sociale regels, zelfbeeld