Inclusief Onderwijs

mei 25, 2008

Het is niet eenvoudig om met ‘moeilijk interpreteerbaar’ (lees : lastig) gedrag lange tijd op een (goeie) school te blijven. Dat gedrag hoeft dan nog niet van een gedrags – of persoonlijksstoornis te komen.

Ook het autistisch denken en handelen, en de omgang met stress als gevolg daarvan, roept bij heel wat leerkrachten en andere onderwijskundigen nogal wat irritatie en onbegrip op. Gelukkig kan het ook anders. Mits wat inzicht, en luisteren naar de omgeving van de leerling (ouders, Gon-begeleider, andere begeleiders) en relatief eenvoudige aanpassingen, kan het heel goed lopen.

Maar dat er nog veel werk aan de winkel is, merkte ik tijdens een recente regio-avond van de Vlaamse Vereniging Autisme in Gent.

Annet Devroey, orthopedagoge en lector aan de Lerarenopleiding van de KHL en Banaba Buso, kwam er een boeiende uiteenzetting geven over ‘inclusief onderwijs’.  Haar uiteenzetting vertrok vooral vanuit de Index voor Inclusie.

De avond zelf was trouwens aangenaam georganiseerd.  Behalve de locatie zelf, het Geuzenhuis, was er naar mijn smaak in elk geval erg auti-vriendelijk gedacht, zodanig dat er maar gewacht werd om het licht aan te steken tot vlak na de pauze (zij het wellicht onbedoeld).

Tijdens de voordracht werd de Index voor Inclusie als leidraad gebruikt om uit te leggen welke mogelijke wegen er zijn om een school inclusief te maken. De Index voor Inclusie komt oorspronkelijk uit het Verenigd Koninkrijk, en wordt in Nederland door de Stichting Perspectief aangeboden.  Aan de Nederlandstalige vertaling werkte ook de Vlaamse academica Lies van Peperstraete mee.

In Vlaanderen blijkt na tien jaar dat gelijke onderwijskansen vooral staan of vallen met de schrik voor inclusie, met een positieve visie die zich parallel met ondersteuning in de praktijk ontwikkelt. Het GOK-decreet probeert de ontwikkeling van gelijke onderwijskansen een juridische basis te geven

De avond in het Geuzenhuis in Gent begint met een aantal stellingen, die het publiek vrij of bewust mocht kiezen aan de balie bij het binnenkomen.

Enkele stellingen zijn :

  • Alle leerlingen varen wel bij inclusie : het is dus niet een ondersteuning voor de speciale gevallen, maar het gaat om maatregelen die iedereen ten goede komen
  • Discipline in de klas is gebaseerd op wederzijds respect : de leerling kan zelf op tijd vragen of hij eventjes uit de klas als hij voelt dat het hem te veel gaat worden (in plaats als het teveel wordt dat hij uit de klas wordt gezet)
  • Leerlingen helpen elkaar :  leerlingen ondersteunen elkaar vaak spontaan als ze mogen openstaan voor elkaar verschillen en sterktes, en kunnen zo elkaar crisis opvangen (want ook niet-autisten hebben soms een crisis)
  • Leerkrachten en ouders plannen in partnerschap: leerkrachten evalueren samen met ouders maar werken ook klasoverschrijdend (ze gaan in elkaars klas op bezoek en een leerling is ook nog in welkom bij andere leerkrachten) (de vroegere hospiteerbeurten)
  • De school streeft ernaar alle kinderen in de buurt toe te laten : een van de uitgangspunten in inclusie is dat leerlingen in de buurt, dicht bij huis naar school kunnen (en niet in afgelegen internaten in het groen, ver weg van thuis)
  • De school organiseert haar groepen zo dat alle leerlingen gewaardeerd worden: er is dus waardering voor de meest verschillende mensen op de school, een specifieke auti-klas kan positief zijn maar hoeft dat zeker niet altijd te zijn, niet voor iedere autist

De avond gaat verder met een toelichting van de Index Voor Inclusie, in wezen een werkmap om te komen tot inclusief onderwijs, en een instrument waarmee een school, in samenwerking met de ouders, tot een positief inclusief leefklimaat kan komen.

Binnen het Verdrag van de Verenigde Naties voor Personen met een Handicap wordt in artikel 24 verwezen naar de noodzaak van inclusie.

Inclusie is preventief, is buurtgericht en staat voor het zoeken van oplossingen binnen de groep zelf, dus niet erbuiten. Het is een levensfilosofie waarin kwaliteit van bestaan centraal staat. Kwaliteit van bestaan overstijgt de talloze levensdomeinen, en is ondermeer merkbaar in werk, in vrijetijdsbesteding, in mobiliteit …

Diversiteit wordt binnen het inclusief denken als een meerwaarde beschouwd.  Er wordt rekening gehouden met verschillende vragen, met mensen die een ander tempo aanhouden, en verschillen in het leerproces tussen de verschillende kinderen.

Een derde peiler is het recht op zelfbeschikking en dus burgerschap voor iedereen. Mensen met een handicap, welke die ook is, hebben het recht op een eigen keuze en participatie binnen de samenleving.

Vooral op dat laatste punt wordt duidelijk dat inclusie geworteld  is in het sociaal denkmodel tegenover een handicap, dat vertrekt vanuit de mogelijkheden en de bijdragen van mensen met een handicap. Dit sociaal model zet zich af tegenover het medisch model dat vooral een stoornisdenken is, waarbij het defect of de beperkingen centraal staat.  De beperkingen van het medisch model tegenover autisme zitten vooral in het gebrek aan objectiviteit, omdat men vertrekt vanuit een superioriteitsgevoel van niet-autistisch denken.

Inclusief onderwijs is niet alleen onderwijs op maat van of voor mensen met een handicap. Inclusie vertrekt vanuit alle maatschappelijke groepen die een risico op discriminatie hebben, zoals allochtonen, Roma, … Het basisidee is dat iedereen erbij hoort, inclusief alle zogenaamde risicogroepen.

Binnen inclusief onderwijs wordt ook vertrokken vanuit de visie dat de school een sociaal oefenterrein is. De kansarmoede start vanuit het niet kunnen volgen van hetzelfde onderwijs. Inclusief onderwijs is een de preventie-instrumenten, en kan een positiever samenleving maken.

Het recht om in de eigen buurt naar school te gaan is een volgende pijler binnen inclusief onderwijs. In zekere zin gaat inclusief onderwijs dus in tegen de ouders die kamperen voor een school ver weg om hun kind daar te laten inschrijven. De school speelt namelijk een belangrijke rol om enerzijds de buurtgemeenschap mee te helpen ontwikkelen, maar anderzijds ook om de leerlingen met een moeiljiker profiel binnen het gezin te laten leven en opgroeien.

Inclusie houdt tenslotte ook in dat er brede veranderingen plaatsvinden binnen de school zodat dit ten gunste komt voor alle leerlingen. ‘Je hebt een heel dorp nodig om een kind op te voeden’ is een spreekwoord dat hierbij past. Een school moet er voor zoveel mogelijk leerlingen zijn, en niet voor een bijzonder enge elite, vermits dit elite-denken ook de beste leerlingen niet beter klaarmaakt voor de diverse samenleving buiten de schoolpoorten.

Enkele signalen waaruit inclusief onderwijs binnen een school blijkt, zijn bijvoorbeeld de vaststelling dat Gon-leerkrachten alle personeelsbijeenkomsten bij kunnen wonen, dat er flexibele klasondersteuning mogelijk is (dat er gekeken wordt naar de vragen van de Gon en het kind op zich), en dat er ruime participatie is van de ouders en informatieuitwisseling met de leerkrachten (bijvoorbeeld door een Oudercafé). Het komt nog voor dat de poorten van de scholen gesloten blijven, en dat er afgesproken wordt dat de ouders hun kind aan de poort afzetten en dan letterlijk loslaten. Soms blijven de poorten letterlijk ook gesloten tijdens de schooluren, wat nefast kan zijn voor kinderen die te laat komen (om redenen buiten hun wil vaak, zeker als ze zelf ook een zorgende taak hebben thuis) en dus al meteen aan achterstand hebben omdat ze niet meer binnen kunnen.

Een volgende punt dat besproken wordt, zijn de barrières tot inclusie, de drempels tot de realisatie van het inclusief onderwijs.

Om te beginnen is de wetgeving een barrière, vooral als die zichzelf tegenspreekt en de vrijheid beperkt.

De drempels die het meest tot uiting komen zijn de toegankelijkheid, de beperkte autismevriendelijkheid, de discriminatie en een vaak afwachtende houding.

Het Québec-denkmodel van Fougeyrollas rond handicap wordt besproken.  Het Québec – of handicap-creatie model vertrekt vanuit de idee dat een persoon niet gehandicapt is, maar gehandicapt wordt (in navolging van de idee van Simone De Beauvoir voor wat vrouwen betreft).

In het Québec-model zijn er enerzijds de persoonsfactoren (de functiebeperkingen versus de capaciteiten van de persoon) en anderzijds de omgevingsfactoren (faciliteiten & hulpbronnen versus barrières & drempels). De interactie tussen persoonsfactoren en omgevingsfactoren kan leiden tot gewoontes die hetzij succesvolle participatie hetzij een handicapsituatie in de hand kunnen werken. Fougeyrollas stelt dat heel wat gecompenseerd kan worden door de hulpbronnen van de omgeving aan te spreken.

De barrières inzake inclusief onderwijs zijn vooral een te beperkte kijk op wat kinderen zouden moeten kunnen (de waarden & normen, wat ‘normaal’ is, het klassieke referentiekader), te grote klassen maken, een defectkijken (vertrekken vanuit wat niet goed gaat) en een beperkte samenwerking tussen mensen met verschillende visies op een school.

De hulpbronnen voor inclusief onderwijs zijn behalve geld vooral kennis (uitwisseling en wederzijdse ondersteuning van het personeel & de ouders), beroep doen op de capaciteiten van de leerlingen (die zelf heel wat vaardigheden hebben om op hun manier te leren), en de inzet van ouders en de brede gemeenschap naar informatie, kennis en steun.

Diversiteit ondersteunen kan door hulpmiddelen te voorzien los van een diagnose maar voor iedereen die ze nodig heeft. Zo kan iedereen in een bepaalde klas beroep doen op een leesregel, niet alleen de kinderen die een diagnose hebben en via het Vlaams Agentschap daarop recht zouden hebben.  We spreken dan in de brede zin over universal design (in functie van specifieke en universele behoeften), wat niet alleen de doelgroep overstijgt maar ook kan leiden tot veranderingen ten gunste van iedere leerling (ook de ’sterkste’ leerlingen)

Om tot inclusie te komen is het belangrijk dat er eerst en vooral een visie-ontwikkeling plaatsvindt (werken aan een inclusieve schoolcultuur), dat er een planning opgemaakt wordt en dat er participatie van alle actoren mogelijk wordt.

Een inclusief beleid kan niet zonder inclusieve cultuur evolueren naar een inclusieve praktijk. Inclusief onderwijs is meer dan positief klasmanagement maar werkt naar een brede school waar ouders vanaf de eerste stap naar verandering betrokken worden. In heel wat scholen wordt er nog vaak alleen aan éénrichtingscommunicatie gedaan

Op de avond wordt er nog verder ingegaan op hoe de Index voor Inclusie concreet kan gebruikt worden. Er wordt ondermeer een checklist uitgedeeld hoe ouders of leerkrachten kunnen afchecken hoe inclusief hun school bezig is.  Er wordt ook stilgestaan bij het begrip draagkracht dat vroeger niet gebruikt werd in schoolmiddens maar nu in volle evolutie is. Zo verandert niet enkel de zorgtaal, maar ook de attitude en wordt er gewerkt aan een pro-actief beleid.  Veel termen, maar vooral nog veel werk aan de winkel. Zeker voor wie dagelijks nog geconfronteerd wordt met scholen die wat minder inclusief aan de slag zijn.  In elk geval een erg boeiende avond.

Leave a Reply