Eten is een complexe aangelegenheid, een gebeuren dat in grote mate sociaal en cultureel vastgelegd is.
Met gebruik van allerlei motorische vaardigheden worden lichaamsvreemde stoffen binnengebracht op een vaak rituele manier, samen aan een tafel en op bepaalde sociaal vastgelegde tijdstippen.
Het heeft niet alleen iets intiems, onvoorspelbaar en dus bedreigend, maar ook veel te maken motoriek, coördinatie, cognitie en met het sociale leven.
Eerst willen we een onderscheid maken tussen afwijkend en problematisch eetgedrag.
Wanneer iemand te veel, te weinig, en/of met een te klein assortiment eet, kan er sprake zijn van een probleem. Afwijkend eetgedrag, het eten op een niet algemeen aanvaarde manier, kan in een sociale context, bijvoorbeeld in een restaurant, wel problematisch zijn.
De problemen op vlak van eten kunnen medisch zijn (veelal bij laagfunctionerende autisten in een instelling) en/of sociaal (veelal bij hoogfunctionerende autisten).
Uit cijfers blijkt 30 tot 60% van de jongeren met autisme een problematisch eetgedrag te hebben. Merkwaardig genoeg is er vrijwel niets zinvol in de autismeliteratuur te vinden over het thema. De mogelijke connectie van autisme en eetstoornissen zoals anorexia blijkt gestoeld op weinig concrete informatie.
De basis van een eetprobleem kan zowel sensorisch als betekenisverlening zijn.
Op zintuiglijk vlak kan er sprake zijn van een over - of ondergevoeligheid.
We kunnen kijken naar smaak (hard of zacht), naar zicht (een duidelijk uitziend gerecht of eerder mengelmoest), naar reuk (bepaalde geuren die iemand die niet kan ruiken of net te scherp ruikt), gehoor (de omgeving van het eten), de textuur (krakerig eten zoals wortels of eerder alles in pap of vloeibaar), het visuele aspect (lasagne die eruit ziet als overgeefsel), het olifactorische, tactiele (het betasten van eten) en auditieve (de geluiden die het eten verstoren). Vooral Olga Bogdashina spreekt over de invloed van het sensorische.
De invloed van betekenisverlening op eten is binnen de literatuur vrijwel onbesproken.
Mensen met autisme zoeken nochthans ook in het eetritueel naar voorspelbaarheid.
Ze willen weten wat er gegeten wordt, hoeveel er moet gegeten worden, hoe lang de maaltijd zal duren … wat er exact van hen verwacht wordt in om het even welke situatie, waarvan de maaltijd er maar één van is die bovendien in een context van andere rituelen past.De vragen ‘waarom moet je (samen) eten’ en ‘wat gebeurt er na het eten’ zijn belangrijk voor iemand met autisme, zeker op jongere (ontwikkelings) leeftijd.
De betekenis van eten en vooral samen eten is voor heel wat van hen onduidelijk.
Eten is een functioneel gebeuren. Aan tafel zitten en praten met ouders is een andere ‘programma’. Wanneer die beiden samen komen, blokkeert het autistisch systeem., is er een overbelasting.
Bovendien is ’samen eten’ nog intiemer dan ‘eten’ op zich. Bij mensen zonder autisme is dit te vergelijken met ‘gaan eten’, zeker met iemand van het andere geslacht. De partner heeft het ook niet graag.
Concrete informatie over voedsel (bijvoorbeeld in geval van dioxinecrisis of gluten of diëten) komt uit de omgeving. Autoriteiten op dit vlak (dokters, diëtist, specialist) geven doorslag in hun vertrouwen. Mama zal altijd maar specialist blijven in het mama-zijn, en kan dus onmogelijk een deskundige uitleg verschaffen waarom boontjes zo gezond zijn. Mama is uiteraard wel de ideale brugfiguur om het kind met autisme te begeleiden naar deze ’specialisten’. Dat doet zeker niets af aan het ouderschap op zich, dat volgens ons net draait om dit ‘er zijn’ en ’stimuleren tot op weg gaan’, eerder dan steeds antwoorden te geven stimuleren tot vraagverfijning en vraagevolutie.
Om een eetprobleem aan te pakken zijn er verschillende stappen. Deze stappen hoeven niet chronologisch of evolutiegewijs gevolgd te worden. Bij sommige personen met autisme is het beter direct duidelijk te zeggen: dit eten moét op binnen vijf minuten (waarop je de timer zet). Bij sommige personen zal dit een betere aanpak blijken dan stapsgewijs te groeien naar een maaltijd.
Veelal is het wel beter stapsgewijs te werken, direct een maaltijd nemen is voor nogal wat mensen met autisme met eetproblemen een stap te ver.
Een eerste stap is meestal de verheldering van de eetsituatie.
Verhelderen kan betekenen dat de omgeving de prikkelverwerking duidelijk maakt door het aantal prikkels te beperken of te kijken naar de over - of ondergevoeligheid van de persoon tijdens het eten, in de omgeving waar het eten plaats vind. Een dagstructuur, een vaste eetplaats, voedsel gescheiden houden … het kan helpen om de afleiding te beperken. Soms kan medicatie ook helpen tot concentratie op het eetgebeuren.
Een volgende stap kan de gewenning zijn.
De persoon is nu ter plekke geraakt, blijft tijdens het maaltijdgebeuren, loopt niet weg door over - of onderprikkeling, voelt zich niet bedreigd door onduidelijk gedrag van zijn omgeving … Maar de persoon in kwestie eet nog niet. Als de persoon het eten al verdraagt in zijn omgeving, is dat al een stap vooruit. Iemand zit bijvoorbeeld in het salon en er staat eten op tafel. Of er wordt een weddenschap gedaan met papa. Wedden dat je niet tot aan de pot met het eten geraakt.
Dat kan op een speelse manier gebeuren, maar we moeten er op letten dat de speeltijd niet eeuwig duurt. Het kan zijn dat de persoon tot aan ‘de pot met eten’ geraakt en er zelfs een lepel uit durft proeven. Maar op het moment dat het eten in zijn bord ligt, moet begrensd worden. Het moet duidelijk worden dat papa en mama (en eventueel ook broer of zus) willen eten en niet blijven spelen.
Een volgende stap kan proeven zijn.
De persoon met autisme blijft nu al in de omgeving, heeft het eten benaderd, heeft al eens gekeken, geroken, gevoeld eventueel. En de omgeving heeft hem niet afgeschrikt.
Het eten blijven aanbieden, en laten verdragen … is vaak een volgende stap en van lange adem. Het kan zijn dat een ouder het kind met autisme geduldig tot tachtig keer achtereen het voedsel aanbiedt, één keer per dag welteverstaan tachtig dagen achtereen.
Wanneer men ziet dat het kind echter blijft walgen of overgeven, kan dit een teken zijn van iets anders, een fysieke oorzaak hebben, of een medisch probleem dat met de arts besproken moet worden.
Belangrijkste is dat het kind gezond blijft en de nodige vitamines binnen krijgt.
Ouders moeten daarvoor soms hun waarden en normen en hun idee van een maaltijd en eten wat opzij zetten en relativeren.
Een persoon met autisme zal vrijwel nooit op de manier eten dat andere mensen verwachten, geen enkele persoon.
Verhelderen van de eetsituatie, gewenning, proeven, kleine hapjes en dan grote happen zijn een aantal stappen om tot gezond en passend eetpatroon te komen.
De lat laag blijven houden is iets dat we steeds in gedachten moeten houden. Elk stapje is een stapje vooruit. We spreken over de Leg de Lat Laag-methodiek (LLL-methodiek).
Soms blijkt vertrouwen het kernprobleem.
Mensen met autisme zien een gerecht maar vertrouwen niet hoe het zal smaken. Het kan te warm of te koud zijn, maar dat merken ze niet. Eens voelen met de vinger of tegen de wang houden … kan een oplossing zijn. Iemands eten opeten is immers een daad van vertrouwen stellen in de persoon die het gekookt of klaargemaakt heeft. Wantrouwen is bij de meeste mensen met autisme echter een grondhouding.
Psycho-educatie (wat gebeurt er in mijn lichaam, wat zijn de gevoeligste plaatsen waarmee ik kan proeven) kan soms een oplossing zijn. Zekerheid en alternatieven bieden (wanneer stopt de maaltijd, wat te doen als het me niet lukt, als ik het niet lust, wat te doen als ik …) is eveneens belangrijk.
Ook het concept van bepaalde voeding zo ruim mogelijk houden is belangrijk: een keer iemand iets lust (bv wortels) dit proberen uit te breiden (alle variaties van wortels - wortelsoep, wortelpuree, wortel cake …).
Naar de nota’s van een lezing van Thomas Fondelli, psychotherapeut en medewerker Autisme Centraal
Geplaatst in autisme | Categorie: afwijkend eetgedrag, eetprobleem, eten, gewenning, motoriek, problematisch eetgedrag, proeven, psycho-educatie, Thomas Fondelli, verheldering